Que aventura! - de altiplano tarijeño in Bolivia
Boven ons hoofd cirkelden krijsende vogels. `Ze lachen ons uit´, zeg ik. Don Pancho lacht met zijn hoge stemmetje. `Que aventura´ roept hij steeds. Ik lach, maar niet van harte.
Het is koud en mijn schoen is weg. Ik heb net met veel moeite mijn voet uit de ijskoude, zuigende modder getrokken, maar mijn schoen is achtergebleven. Mijn voeten zijn doorweekt. Mijn andere been zit tot aan de knie vast. Ik kan geen kant op. Om me heen de enorme weidsheid van de Boliviaanse hoogvlakte. De roze stipjes in de verte zijn flamingo’s. De bergen kleuren rood in de ondergaande zon.
Vier uur eerder: na het middageten sta ik klaar voor de reis van Tarija naar Tupiza. Onze rugzak gaat op het dak van de terreinwagen. Ondanks de geringe inspanning zweet ik als een otter onder de hete zon. Om één uur zouden we vertrekken. Maar dit is Bolivia, we kijken niet op een paar minuutjes. Als we een hele tijd later allemaal in de auto zitten, moeten er eerst nog allerlei boodschappen worden gedaan in de drukke stad. Uiteindelijk rijden we om half vijf de stad uit.
Het is een wagen vol geladen: de bagage en de handel (kratten met flessen voor de winkel) onder een dekzeil op het dak, voor in de auto de chauffeur en de vader van Lilian, op de eerste bank Lilian, zus Elffy en ik, en achterin de nichtjes en neefje Alexis, Paola en Omar. Aan de rand van de stad zet de chauffeur, don Pancho, de auto aan de kant. Hij doet de radio uit om Gods zegen te vragen voor de reis. De moeder van Lilian en haar zussen zijn actief in de evangelische kerk. Amen! Zeggen ze eensgezind. De reis kan beginnen.
Een klein stukje is geasfalteerd, maar al snel rijden we over gravelwegen. De weg voert redelijk steil omhoog. De laatste stop is bij de slagboom. Alle papieren worden in orde bevonden. De tol is betaald. We verlaten nu officieel de bewoonde wereld. Even later rijden we over rechte weg door een enorme, kale vlakte. De hoge bergen rondom lijken heel ver weg. Men noemt dit de Altiplano tarijeño, het kleine broertje van de hoogvlakte tussen La Paz en Oruro.
Na een uurtje rijden zet don Pancho de wagen aan de kant. In de verte ligt een lagune en als je goed kijkt zie je honderden flamingo's. Don Pancho wil dat van dichtbij bekijken. Ik ben de enige die zin heeft om mee te gaan. De afgelopen dagen was het snikheet in de stad, maar zodra ik buiten kom, merk ik dat het hier op de hoogvlakte een stuk frisser is. Ik leen een jas (de mijne zit in mijn rugzak en daar kan ik voorlopig niet bij) en loop samen met don Pancho naar de lagune. De rest blijft kouwelijk in de auto zitten. Even later vraag ik me toch af of dit een goed plan is. Kort geleden in Tarija was het dertig graden, maar hier waait een ijzige wind. Best fris zo in mijn korte broek.
Maar mijn metgezel is zo enthousiast aan het praten, dat ik maar doorloop. Don Pancho vertelt al lopend zijn levensverhaal. Op zijn vijftiende is hij vanuit zijn geboortedorp in Lipez, in het hooggebergte richting Chili, naar Cochabamba gegaan. In de laag gelegen, tropische streek rond de stad, de Chapare, heeft hij geleerd hoe je van cocabladeren coke kunt maken. Al snel gebruikte hij het spul zelf ook. Totdat hij het licht zag en zich bekeerde tot het evangelie. 'Anders was ik al lang dood geweest', zegt hij.
De aarde waarover we lopen is gescheurd. Het veert een beetje mee. Een soort natuurlijke tegels. Opeens zakt mijn voet weg. Ik trek hem op, maar mijn schoen blijft achter. Met moeite trek ik hem uit de zompige klei die zich onder de droge korst bevindt. Wat eens mijn schoen was, is nu een grote klomp zwarte, natte, ijskoude klei. Volgende stap. Mijn andere voet zakt tot aan mijn knie weg. Ik krijg mijn been niet meer los. Mijn andere been kan ik met moeite eruit trekken, maar mijn schoen is opnieuw verdwenen.
Het is een moeras waarop door de zon een harde korst is ontstaan. Daar ben ik nu doorheen gezakt. De modder onder de korst stinkt verschrikkelijk. De auto is nog maar een klein stipje in de verte. Ik probeer terug te lopen, maar zak er steeds doorheen. In de greep van Pachamama, moeder aarde. Ik weet niet hoe het zou zijn afgelopen als de kleine don Panchito er niet bij was geweest. Hij is een stuk lichter en zakt er niet door. Met veel moeite trekt hij me uit de prut. Na vele zeer moeizame stappen bereik ik een droger gedeelte waar ik niet meer doorheen zak. Met één schoen, nat, bedekt met stinkende modder sta ik in de gure wind. Gelukkig weet don Pancho, met heel veel moeite, mijn schoen uit te graven. Triomfantelijk lachend houd hij hem omhoog. Hij vindt het een prachtig avontuur.
In de auto waren ze al ongerust. Ze hebben getoeterd, maar door de afstand hebben we niets gehoord. Mijn schoenen doen we in een plastic zak. Twee onherkenbare, stinkende klompen van modder. Ik heb het ijskoud. Met de twee zussen zit ik onder een slaapzak. Inmiddels is het donker geworden. De rit gaat verder.
Na de vallei gaan we de bergen weer in. De weg is niet meer dan een geitenpad, zo smal. Als er een tegenligger aankomt, moeten we soms een stuk achteruit om een plek te vinden waar de twee voertuigen elkaar kunnen passeren. Verschillende bussen met passagiers uit Tarija, onderweg naar Villazón, Potosí of Tupiza, hebben we al achter ons gelaten. Vele, vele kilometers leggen we zo af in de duisternis. Meestal stapvoets. De Landcruiser hangt soms helemaal schuin. Het duurt lang voordat ik weer een beetje op temperatuur kom.
De chauffeur heeft één cassettebandje. Sinds zijn bekering luistert hij alleen nog maar naar evangelische muziek. Met de casseterecorder op repeat horen we urenlang hetzelfde bandje. EO-muziek, maar dan in het Spaans. In het donker zien we al van ver de koplampen van tegenliggers. In de verte staat een bus. We stoppen op 300 meter afstand. Staat hij stil? De weg is erg smal, met steile rotsen en een diep ravijn. Een voertuig met pech blokkeert automatisch de route. Elffy stapt uit en loopt in het donker naar de bus toe om te kijken wat er aan de hand is. Ondertussen kijkt don Pancho onze auto na. Is de linker achterband lek? En wat is dat geluid? Hij ligt onder de auto, er steken alleen twee beentjes onderuit.
Elffy komt weer terug en meldt dat twee bussen, tegenliggers, elkaar hebben geraakt. Maar het is in orde, de passagiers stappen al weer in, en weldra kunnen we erlangs. In Bolivia zijn dit normale dingen. De band van onze auto bleek na een grondige inspectie gelukkig toch in orde te zijn, dus we gaan weer verder over het kronkelige, steile pad. Overal liggen enorme keien en rotsen, waar de chauffeur omheen moet manoeuvreren. De afgrond is een donker, gapend gat.
Even later stoppen we bij een pleisterplaats om te eten. Zodra de chauffeur de lichten uitdoet, is het pikdonker. De enige verlichting is een kleine gaslamp, binnen in het eetzaaltje. We krijgen soep en brood. Voor mij wordt een mok met heet water en cocablaadjes besteld; goed tegen de hoogteziekte. Binnen zitten nog wat reizigers zachtjes met elkaar te praten. Een wc is er niet, dat gebeurt hier gewoon in de natuur.
Buiten is het intens donker. Ik zie letterlijk geen hand voor ogen. Het aantal sterren aan de hemel is overweldigend. Mijn ogen wennen een klein beetje aan het donker en ik loop een stukje de weg af om te piesen. Volgens mij plas ik in de afgrond, maar ik weet het niet zeker, zo donker is het. Hopelijk sta ik niet tegen iemands huis te wateren. 'Straks doet iemand opeens het licht aan en moet ik rennen voor mijn leven,' denk ik. Maar zo'n vaart zal het niet lopen. Ik hoor wel iets ritselen, waarschijnlijk een geit aan een touw of zo. Ik merk dat het hier niet koud meer is, eerder zwoel.
Voor de deur van de pleisterplaats staat een groepje mannen om de 125-cc motor van twee Bolivianen. Ze zijn op zoek naar benzine. Hebben ze hier niet, maar misschien verderop wel. Ze stappen op en rijden verder, zonder helm, de nacht in. Een moment van onoplettendheid en ze kukelen zo het ravijn in, niemand die het zal merken.
Zelf komen we een paar uur later veilig aan in Tupiza. De gebeden zijn verhoord. Het is even na middernacht, we hebben er bijna acht uur over gedaan, twee uur boodschappen doen voor vertrek niet meegerekend. Freddy is nog wakker. Lilians moeder kleedt zich snel aan om ons te begroeten. We praten wat bij en om twee uur liggen we eindelijk in ons bed. Que aventura!
Jeroen Louis, 14 april 2007


