Verhalen, 335 blz, 2004, Thomas Rap, Amsterdam

Het reizen vereist sterke zenuwen - Bob den Uyl

Hoewel mijn vrouw er anders over denkt, is twitter een geweldige uitvinding. Menig interessante persoonlijkheid ben ik in die virtuele ruimte al tegen gekomen. Zo vond ik er mijn literaire adviseuse (@jet_sol), maar er zijn er meer, zoals de altijd vriendelijke en attente @MeneerPerkt.

Voornoemde meneer is een schakende fietser, of fietsende schaker, daar wil ik vanaf zijn. Hij schrijft mooie verhalen over zijn tochten op zijn stalen ros. Ik complimenteerde hem eens met het inspirerende idee om de heenweg per spoor te doen, met medenemen van het rijwiel, en dan naar huis te fietsen. Hij vertrouwde me toe dat hij dat (als ik mij niet vergis) een Bobje noemt, naar de door hem hogelijk bewonderde schrijver Bob den Uyl. Hierdoor werd onverwacht deze reeds lang overleden auteur weer in mijn herinnering gebracht. Ooit had ik me voorgenomen hem te gaan lezen, en ik beschouwde dit als een teken om dit plan nu eens te gaan verwezenlijken (nog niet wetende dat Bob den Uyl van mening was dat je plannen eigenlijk maar beter kunt laten voor wat ze zijn, zie het in deze bundel opgenomen verhaal ‘Het onbereikbare’ uit 1982).

Bob den Uyl kende ik alleen van naam. De schrijver was een Rotterdammer, wat natuurlijk altijd een pluspunt is, en bovendien had ik ooit vernomen dat hij in de jaren zestig werkte op hetzelfde kantoor als mijn vader, te weten Van Nievelt, Goudriaan & Co’s Stoomvaart Maatschappij, gevestigd aan de Veerhaven.

Sowieso wordt de naam Bob tegenwoordig te weinig gebruikt. Als ik ooit een zoon krijg, is de kans groot dat ik hem Bob noem. Het is een korte, kernachtige naam en als je hem omdraait, krijg je hetzelfde. Daarnaast ligt hij lekker in de mond en dat in vele talen.

In de Angelsaksische wereld, waar tradities sowieso beter in ere worden gehouden, heb je nog wel Bobs, zoals Uncle Bob (Dylan) en Saint Bob (Geldoff). De meest Bobbe van allen, de grootste Bob, zeg maar gerust de ÜberBob, was natuurlijk Bob Ross, de schilder van happy little trees op eenzame berghellingen en de enige blanke ooit met een volledig natuurlijk afrokapsel. Als ik Bob Ross toevallig tegenkom bij het nachtelijke zappen blijf ik altijd kijken. Bob geeft mij rust. Ooit had ik een collega die zich toelegde op het schilderen. En dan natuurlijk niet abstracte werken in de categorie ‘vrije expressie’, om ze vervolgens de titel ‘sans titre’ mee te geven, neen, landschapjes volgens de methode Bob Ross. Ze gaf er cursussen in. Daartoe had ze speciale toestemming van de erven Bob Ross, verkregen door jarenlange devote studie en het neerleggen van een niet mis te verstane somme gelds, ten bewijze waarvan ze aan een ieder desgevraagd een gewaarmerkte licentie kon overleggen. Ze verkocht ook speciale verf, kwasten en andere materialen zonder welke je nooit een echte Bob Ross kunt vervaardigen. Zelfs had ze een horloge met daarop de afbeelding van Bob Ross. Als je haar vroeg hoe laat het was, antwoordde ze olijk: ‘het is precies tien over Bob.’

Maar in Nederland lijken de Bobs te zijn uitgestorven. Vroeger had je Bob Bouma, een naam als een klok, maar ik vermoed dat vrijwel niemand van mijn leeftijd of jonger deze onkreukbare televisievakman nog kent. Hetzelfde geldt, zo vrees ik, voor Bob den Uyl. Toen ik @heerPerkt opgetogen schreef naar boekhandel Donner te snellen teneinde een werk van Den Uyl te bemachtigen, antwoordde deze dan ook, met een van realiteitszin getuigende nuchterheid: ‘Je kunt misschien beter naar De Slegte gaan.’

Inderdaad bleken de boeken van Bob den Uyl inmiddels niet meer in de courante handel verkrijgbaar te zijn. Helaas was het door mij uitverkoren filiaal van De Slegte, aan de Coolsingel, die middag gesloten wegens inventarisatie. Maar ook bij boekhandel Donner, een klein stukje verderop, heeft men tegenwoordig een kast met tweedehands boeken, waar ze de chique titel ‘antiquariaat’ aan hebben toegekend. Mijn vreugde was groot toen ik daar maar liefst drie Bobs aantrof! Helaas bleek de deftige benaming voor gebruikte en beduimelde boeken bij Donner ook garant te staan voor een daarbij passende woekerprijs. Voor mijn naar sigarettenrook riekende exemplaar van Het reizen vereist sterke zenuwen, een uitgave uit 2004, moest ik een bedrag van maar liefst 17,50 euro neertellen. Op het schutblad staat met een vulpen gekrabbeld: ‘Voor/van: Max Verploegh. Geschenk: Jan Rikde.’ Een inkoper van Donner heeft er met potlood onder geschreven: (2004) / 17,50/ ** Bijz.!’ Wat er zo bijzonder is een een boek uit 2004 vraag ik me nog altijd af. Of is Max Verploegh een beroemdheid? Inlichtingen gaarne onder nummer van deze advertentie of via de redactie. Discretie gevraagd en geboden.

Ik  besloot die middag overigens voortaan niet meer bij Donner te gaan kopen. Een boekhandel van zes verdiepingen, die nochtans slechts in de kelder een paar plankjes met Nederlandse literatuur heeft. Een kleinschalige boekwinkel lijkt kleiner, maar heeft in feite meer literatuur in de aanbeiding dan deze mochol, die tegenwoordig is opgeslokt door het concern van Selexyz, waardoor Donner tegenwoordig in feite niet meer is dan een uit de kluiten gewassen Bruna.

bob

De oplettende lezer zal nu misschien mompelen: alles goed en wel, leuk en aardig, maar ik dacht dat me hier een stukje over een boek van Bob den Uyl was beloofd, geen artikel over Bobs of het verval des boekhandels. Welnu, de zijstapjes hebben een doel. Hiermee (en tevens met de schrijftrant en woordkeus) wil ik graag de stijl van Bob den Uyl illustreren: vol met terzijdes en uitweidingen over van alles en nog wat. In een verhaal over Bonn (uit: ‘Verhelderende kronieken’, 1978) staat bijvoorbeeld opeens tussen haakjes een opmerking over het station Montparnasse in Parijs, die (nog steeds tussen haakjes) bijna een bladzijde in beslag neemt.

Het kopen van een treinkaartje, een ritje met de bus: geen gebeurtenis is klein genoeg om niet uitgebreid te worden geboekstaafd. Op een gezellige keuvelende toon ratelt Bob maar door. Zoals Reve ooit eens zei: het is allemaal geoudehoer, maar dat geeft niet zolang Gods zegen er maar op rust. En zo is het. In het verhaal ‘Een rechtzetting van een misvatting’ (uit 1975) zegt Bob hier het volgende over:

Een waarschuwing: in dit verhaal gebeurt niets. Inderdaad, eindelijk een verhaal waarin niets gebeurt. Dank u. Jarenlang ben ik gebukt gegaan onder de heersende mening dat er in een verhaal, vertelling of verslag iets wezenlijks dient te gebeuren. Op niet nader te omschrijven wijze is me geopenbaard dat dit een misvatting is. Er gebeurt al genoeg. Dus eigenlijk ook weer niets.

Het kenmerk van Bob den Uyls stijl is een zekere opgewekte neerslachtigheid. Hij reist wat af, maar komt steeds weer tot de slotsom: eigenlijk kan je maar beter thuisblijven. Ik mag dat wel. Een paar keer schoot ik in de lach bij zijn valse beschrijvingen van de medemens, bijvoorbeeld in het verhaal ‘Maidentrip’ (het beste uit de bundel).

In het begin had ik wel even het idee in een tijdcapsule te zijn gestapt. De stijl van Bob deed me denken aan Simon Carmiggelt, Bertus Aafjes, Godfried Bomans en andere verhalenvertellers uit tijden die nu echt reeds lang voorgoed zijn vervlogen. Maar ik kwam er achter dat in deze bundel de verhalen min of meer chronologisch zijn gerangschikt: de oudste dateert uit 1963 en de nieuwste stamt uit 1991. De oudste verhalen doen heel soms wat oubollig aan, maar de nieuwere zijn erg leuk. En zelfs in de oude verhalen staan nog kostelijke zinnen, zoals de observaties over de inwoners van België: ‘ in een hoek zat een dikke vrouw een werkelijk verbijsterend gekrijs uit te stoten, wat algemeen als vrolijk gelach werd aanvaard,’ en men bediende zich van een taal ‘die men zowel sappig Vlaams als het geloei van zieke koeien kan noemen, al naar gelang de pet staat.’ (uit: ‘In ’t groene dal’, 1971).

Een treffend beeld trof ik aan in het verhaal nummer 10 van de ‘Verhelderende kronieken’: het boek lezend op het eiland La Gomera, waar het stikt van de Duitse hippies, gaf Bob al in 1978 een beschrijving van precies deze jongelui, die dus tweeëndertig jaar later nog steeds (of weer?) actueel is:

een ‘kwellende omstandigheid, die der rondtrekkende groepen in wijdvallende kleding gehulde jongeren (…). Vaak betrof het hier Duitse jeugd, die een nieuwe vorm aan hun Wanderjahre gaf en in de kost voorzag door het verkopen van als sieraden bedoelde constructies van ijzer- en koperdraad die zij met tangetjes in de gewenste vorm bogen, desnoods waar je bij stond. Dat was allemaal niet zo erg, je kon er gewoon omheen lopen en snel een andere kant opkijken, want agressief waren ze niet, maar het struikelblok was dat ze vaak de gewoonte hadden voortdurend op een soort kleine trommeltjes, bongo’s genaamd, te roffelen, daarbij een nerveus geluid producerend waarvan je langzaam maar heel zeker krankzinnig werd.

Conclusie: Ik ga beslist meer van Bob lezen (hopend dat hij verkrijgbaar is bij De Slegte of op de rommelmarkt), maar begin dan wel bij de latere, qua stijl minder gedateerde werken.

Jeroen Louis, 13 december 2010

 

button-boeken  button-reageer  button-surf

Terug naar de startpagina