Klik op de links in de tekst voor foto's (openen in nieuw venster)
Reizen: Cárcel "La Fuga", gevangenis in Bolivia
Ongedwongen sta ik te praten met dieven, moordenaars en verkrachters. Ze zijn vriendelijk en beleefd en willen me alles laten zien. Ik kan nauwelijks geloven dat ik hier zo maar kan binnenlopen. Ik ben niet gefouilleerd, niemand heeft om mijn papieren gevraagd.
Met Lilian en haar zus ben ik naar de gevangenis gegaan om een paar lijsten te bestellen voor spiegels voor in het hotel. In de omgeving van Tupiza groeien veel reusachtige cactussen. Van het hout van deze cactussen, met veel gaten waar de stekels zaten, worden meubels, lijsten en soeveniers gemaakt. Die spulletjes in elkaar knutselen is voor de gevangenen de enige manier om een heel klein beetje geld te verdienen. Deze centen hebben ze nodig om eten en drinken te kopen, kleding en misschien een stuk zeep of shampoo. In Bolivia krijgt een gevangene niets cadeau.
De districtsgevangenis van Tupiza bevindt zich vlak achter het centrale plein, naast het politiebureau. We vragen aan een agent of we kunnen doorlopen. 'Het is om een lijst te laten maken', zeggen we erbij. 'Maar natuurlijk!' roept de politieman, 'gewoon aankloppen en don Santos doet de deur voor je open.' De betreffende deur, te zien op de foto , lijkt in niets op een gevangenispoort. Hij ziet eruit als een deur van een willekeurige opslagplaats, zoals je er hier zo veel hebt.
Na het kloppen gaat de deur direct open. We komen op een klein binnenplaatsje. Een man neemt plaats achter een bureautje onder een afdak en bespreekt met de meisjes de bestelling. Evenmin als de portier draagt hij iets van een uniform, ze zijn beiden sjofel gekleed in een vaal hemd en een trainingsbroek. Ik sta op de achtergrond toe te kijken. Er wordt weer op de deur geklopt en een vrouw komt binnen. Ze moet haar mobieltje achterlaten en verdwijnt dan in een gangetje in de uiterste hoek van de patio.
Nieuwsgierig loop ik achter haar aan. Ik verwacht te worden teruggefloten, maar er gebeurt niets. Aan het einde van de gang zie ik een traliedeur. De vrouw praat met de gevangenen achter de tralies. Zodra ze mij zien, begroeten de gevangenen me beleefd.
'Goedemiddag, hoe maakt u het?'
'Prima, bedankt.'
'Wilt u misschien artesanías (soeveniers) kopen?' vraagt de man.
'Ik wil ze wel zien,' antwoord ik.
'Okee, ¡pase! komt u binnen!'
En tot mijn grote verbazing opent de gevangene de traliedeur en nodigt me met een breed gebaar uit om naar binnen te lopen.
Ik betreed een tweede binnenplaats. Er zijn een paar afdakjes, met veel rommel erop, die enige bescherming bieden tegen de brandende zon. Onder een van de afdakjes wordt gekookt. Er hangen enkele tientallen mannen rond, die me nieuwsgierig, maar niet onvriendelijk aanstaren. Verschillende gevangenen komen op me af met wat pennenhouders van catushout, en een soort zwaan voor de sier. 'Maken jullie dit zelf?' vraag ik. De mannen laten me hun werkplaatsje zien, te bereiken via een trap. Een heel oud baasje maakt plaats om me er door te laten. 'Waar slapen jullie eigenlijk?' is mijn volgende vraag. Meer dan bereidwillig leiden de mannen me naar hun slaapzaal. Boven de deur de enige aanduiding die erop wijst dat het hier een gevangenis betreft: Carcel pública " La Fuga". Een aparte naam voor een bajes, het betekent zoiets als 'de ontsnapping' of 'de gevangenisuitbraak'.
De slaapzaal is een donker, klein hok zonder ramen. Het is er snikheet en benauwd. De muren hangen vol met onduidelijke rommel en overal staan verschillende soorten krakkemikkige bedden. Ze slapen hier met z'n twintigen in deze krappe ruimte. Ik tel veel minder plaatsen. 'Ik slaap hier', zegt een jongen, terwijl hij op de grond wijst. Het blijkt dat minder dan de helft van de gevangenen een eigen bed of matras heeft. De rest ligt 's nachts gewoon op de cementen vloer. De langstzittenden - en ongetwijfeld de sterksten - hebben hier de meeste rechten en bezetten 's nachts een bed.
Ze laten me een tweede slaapzaal zien. Hier dezelfde situatie. Ik wil weten of ik een foto mag nemen. 'Ja, maar er mogen beslist geen gezichten op!' zegt de vermoedelijke informele leider van de groep. Ik neem snel een foto van de slaapzaal. Ondanks het waarschuwende geroep van andere gevangenen zijn er een paar die blijven zitten en ook niet hun gezicht afwenden.
Overal ligt troep, je kunt nauwelijks lopen. Het is hier erg heet en het ruikt niet al te fris. Onvoorstelbaar dat de gevangenen zo moeten leven, sommigen wel tien jaar of meer. Op het moment denk ik nog dat hier vooral de kleine criminelen zitten. Dat heb ik mis. Later hoor ik dat hier wel degelijk moordenaars en verkrachters hun straf uitzitten. Tupiza is een kleine gemeenschap, waar iedereen elkaar kent. De familie van Lilian weet van veel gestraften precies wat ze op hun kerfstok hebben. Die ene kerel van middelbare leeftijd, met dat snorretje, die heeft zijn dochter misbruikt, van haar tiende tot haar achttiende. Uiteindelijk heeft het meisje hem samen met haar moeder bij de politie aangegeven. Die komt voorlopig niet vrij. Die oudere kerel met die pet heeft iemand doodgeslagen. In alle gevallen was er drank in het spel.
Er zit zelfs een man bij die vroeger voor de familie werkte. Lilians vader vertelt me het verhaal. De man verleende af en toe hand- en spandiensten, maar hij begon steeds meer te drinken. Hij sliep op straat. Op een gegeven moment werd hij verliefd op een meisje uit Potosí. Hij leek weer op het rechte spoor te komen. Totdat een andere man, misschien uit jaloezie, het meisje doodstak. De dader vluchtte de grens over en de ongelukkige minnaar werd beschuldigd van medeplichtigheid. De familie is overtuigd van zijn onschuld. 'Natuurlijk heeft hij het niet gedaan, die zou nog geen vlieg kwaad doen. Honderd procent zeker.' Maar ja, de man werd opgepakt en omdat hij arm was, kon hij geen advocaat betalen. Nu zit hij minstens tien jaar vast als een beest in een hok. De gevangenen zijn afhankelijk van familieleden om hun eten te brengen, en kleren en andere essentiële levensbenodigdheden. De bewaker strijkt daarbij een deel van de giften op als provisie.
De corruptie is hier een feit waarmee ook de inwoners moeten leven. Het is nu eenmaal zo en het lijkt onuitroeibaar. De gevangenen kunnen met wat smeergeld ook wel wat bereiken. Sommigen kunnen hun verjaardag in vrijheid vieren. Ze komen dan 's avonds laat in de familiewinkel drank kopen. Ongetwijfeld moet je voor zo'n gunst aardig wat schuiven richting de bewakers. Op zichzelf is het verbazingwekkend dat je zo de gevangenis in kunt, en dat er geen slechte dingen gebeuren met de gereedschappen die de gevangenen gebruiken voor het maken van hun houtsnijwerk. Dat zegt ook iets over de gemoedelijke sfeer die in het algemeen in Tupiza hangt.
Het is tijd om afscheid te nemen. Ik geef alle mannen die me zo bereidwillig te woord hebben gestaan een hand. 'Doe iets om ons te helpen,' zegt één van hen. 'Er komen hier af en toe buitenlanders, maar we horen er nooit meer iets van.' Ik antwoord dat ik zal kijken wat ik kan doen. Dan verdwijn ik door de poort, de vrijheid tegemoet. Een paar stappen later zijn we op het plein. Mensen zitten gemoedelijk te praten in de schaduw. Een jongen pingelt wat op een gitaar. We kopen een ijsje.
Tekst en foto's Jeroen Louis, 6 juni 2010


