Eerste druk, 2008, 270 blz, De Bezige Bij, Amsterdam
Boeken: Deltablues -Joost Niemöller
Schrijven is schrappen. Ik vind dat een goed uitgangspunt. Maar zoals ik al eerder zei, in Nederland zijn er niet veel aanhangers van dit principe. Dat is jammer. Maar Joost Niemöller is een uitzondering. Een positieve uitzondering.

Overigens vind ik niet dat alle schrijvers te allen tijde kort en bondig moeten schrijven. Mijn favoriete auteur is en blijft Vestdijk. Die schreef juist lange, kronkelige zinnen, vol zijstapjes. Maar die kon dat. In andere gevallen is het soms functioneel om wat langere zinnen te gebruiken, met ongebruikelijke woorden en uitdrukkingen. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Publieke werken van Thomas Rosenboom. Het gaat daar om een historische roman en het ouderwetse, plechtstatige taalgebruik voegt echt iets toe aan het verhaal. Maar diezelfde stijl ging in het laatste boek van dezelfde auteur juist irriteren. Direct nadat ik Zoete mond uit had, begon ik in Deltablues van Joost Niemöller. Whooa! Wat een verschil! Alsof je het venster in een muffe kamer opengooit en een koele zeebries plotseling je hoofd verfrist.
Niemöller is een meester in het neerzetten van een situatie. Hij gebruikt korte zinnen, bijna in telegramstijl:
Michiel krijgt een stomp. En nog een. En nog een. Niet erg hard. Hij valt niet om of zo. Hij krijgt nog een paar stompen. Ze duwen hem. Hij wankelt en houdt zijn lichaam zo klein mogelijk. Dan houdt het op. De jongens doen een paar passen naar achteren en lopen dan weg. Hij heeft pijn. Maar ook weer niet zo heel erg. Yvonne is er ook nog. Ze wacht af tot het over is.
'Laten we naar mijn huis gaan,'zegt Yvonne.
Óké,' zegt hij.
De schrijver schetst niet een heel vrolijk beeld. Net als in Zoete mond heeft de hoofdpersoon veel moeite met het onderhouden van normale relaties. Het verschil is dat de man uit Deltablues, een vijftigjarige popjournalist, veel menselijker is. Hij heeft nare streken (bijvoorbeeld een onschuldige man een moord in de schoenen schuiven), maar tegelijk voel je als lezer ook medeleven, soms zelfs sympathie. Voor een groot deel ligt dat aan de geweldige dialogen. Hoe treurig ook, er hangt vaak een fleem van zwartgallige humor over die gesprekken
De hoofdpersoon beweegt zich door een vijandige wereld. Op het werk kan hij niemand vertrouwen. Snelle jongens maken de dienst uit. Collega’s kiezen voor hun eigen hachje. De stukken waarin de hoofdpersoon spreekt met zijn hoofdredacteur, die opmerkelijk genoeg dezelfde voornaam heeft als de schrijver, zijn hilarisch. Maar voor de hoofdpersoon wel bedreigend. Hij staat namelijk op een lijst.
Op straat heerst geweld. De klootzakken maken de dienst uit. De hoofdpersoon kijkt de andere kant op. Grijpt niet in. Houdt zich schuil. Overleven is het motto. Is dit Nederland anno nu? Veel situaties zijn herkenbaar. De weinige mensen die wel van hem houden, houdt de hoofdpersoon op een afstand. Hij is gevat en ad rem, maar kwetst daarmee zijn omgeving. En zichzelf. Ironie als wapen. En tegelijk als schild.
Schrijven over popmuziek is voor jonge mensen, krijgt de hoofdpersoon vaak te horen. Misschien kan ik me gaan richten op misdaad, oppert hij. Vergeet het maar, zegt de chef. We kunnen wel spreken van een midlifecrisis. Een catharsis blijf uit. Het is een droevige geschiedenis. Maar het boek boeit tot het eind. En er valt ook wat te lachen. Knap gedaan.
Jeroen Louis, 17 maart 2010


