Arthur Japin, roman, eerste druk mei 1997, 39e druk mei 2006, 400 blz, De Arbeiderspers

Boeken: De zwarte met het witte hart

Het is altijd goed om na de hype nog eens te kijken of een werk overeind blijft. Bij Voskuils Bureau is dat maar gedeeltelijk het geval (zie mijn bespreking van Het Bureau). Hoe zit het met De zwarte met het witte hart van Arthur Japin? Tien jaar na het uitkomen van dit boek neem ik de stand op.

De zwarte met het witte hart


De roman De zwarte met het witte hart vormde in 1997 de grote doorbraak van Arthur Japin. Het verhaal is gebaseerd op een opmerkelijke historisch gegeven: In 1837 werden door een Afrikaanse koning twee prinsjes als onderpand aan koning Willem I gegeven. Zij werden grootgebracht op een kostschool in Delft. De ene blonk uit in kunstzinnige vakken, de ander werd ingenieur. Hij verbleef enige tijd in Weimar en vertrok later naar Nederlands-Indië. Arthur Japin vertelt het verhaal vanuit het perspectief van deze Kwasi Boachi.

Het boek kreeg overwegend positieve recensies, de verkoop was gigantisch en de schrijver won vele prijzen. De doorgaans toch tamelijke kritische Jan Blokker schreef dat Japin niet was gevallen voor ‘de gemakzucht van de politieke-correctheid-met-terugwerkende-kracht’. Maar dat was in 1997, jaren voordat de politiek correcte idealen van de multiculturele samenleving voor het eerst op grote schaal ter discussie zouden worden gesteld.[1]

Een boek is altijd een beïnvloed door de tijd waarin het is geschreven. Bij historische romans is dat ingewikkeld, want de pretentie van de schrijver is toch min of meer dat hij een beeld schetst van hoe het was in de tijd waarin het verhaal speelt. Dit geldt zeker ook voor Japin, zo blijkt uit zijn nawoord. In hoeverre is deze roman over discriminatie en integratie, geschreven in een tijd toen in Nederland de multiculturele samenleving nog onbetwist het hoogste ideaal was, een product van die vervlogen tijd?

Een kenmerk van het multiculturalisme is dat alle culturen als gelijk of gelijkwaardig worden beschouwd. In de 19e eeuw waren dergelijke denkbeelden ondenkbaar. Toch lezen we al snel dat de hoofdpersoon van het boek, Kwasi Boachi, een groot aanhanger van dit cultuurrelativisme is: de Ashanti, leden van een Afrikaans volk, offerden weliswaar mensen aan de goden door ze te onthoofden, maar daarom is hun cultuur nog niet minder dan de Europese, want daar sterven immers ook veel mensen in oorlogen (p. 55). Dit is typisch de logica van 1997, niet die van 2007, en al helemaal niet die van 1900.

Dat Japin Kwasi deze ideeën in de mond legt, is extra opmerkelijk omdat juist de historische bronnen aantonen dat de werkelijke Kwasi er heel anders over dacht. Dit bleek bijvoorbeeld uit een toespraak die hij als student in Delft gaf, waarvan de tekst bewaard is gebleven. Japin maakt daar in het boek een jeugdzonde van. Kwasi verloochende zijn eigen afkomst alleen maar om erbij te horen. Later, als oude wijze man wist hij wel beter (hoewel, 'wijze man'? Japin laat hem op zijn oude dag nog elke week drie brieven schrijven naar leden van het Koninklijk Huis, van wie hij dan al meer dan vijftig jaar nooit meer antwoord heeft gehad).

Een ander typisch politiek correct aspect van het boek is de selectieve verontwaardiging. De achterstelling van Kwasi door de Hollanders wordt impliciet in veroordelende termen beschreven (en terecht!, haast ik mij daar aan toe te voegen), maar geen onvertogen woord over de discriminatie van de zwarte hoofdpersoon jegens de 'inlanders' van Indonesië. Dat Kwasi een Indische knecht heeft, die hij naar believen mag kleineren, is kennelijk heel normaal.

De conclusie is duidelijk: in sommige opzichten zegt De zwarte met het witte hart meer over de periode 1987-1997 dan over 1837-1900. Toch zou ik zeker niet willen beweren dat het geen lezenswaardig boek is. Het historische feit van de twee Afrikaanse prinsjes die in Nederland werden opgevoed is natuurlijk prachtige stof om aan de vergetelheid te ontrukken. Als iemand dit zou hebben verzonnen, zou niemand hem hebben geloofd. Japin heeft veel studie verricht en alle resultaten in het boek verwerkt. De lezer steekt er beslist iets van op.

De stijl van het boek is heel behoorlijk, al zitten er verschillende erg wijdlopige stukken in. Met name in het reisverslag van Van Mook en de brieven van Kwasi's neef Kwame had flink geschrapt kunnen worden om de vaart erin te houden. Ook het 'name dropping' had wel wat minder gemogen. De schrijver heeft net iets te gretig allerlei historische figuren willen opvoeren, van de Oranjes tot Liszt en Schiller en Multatuli. Ook had Japin wel iets zuiniger mogen zijn met de vele zogenaamd diepzinnige gedachten, bijvoorbeeld 'Als [de Hollander] geen vrij uitzicht heeft, voelt hij zich gevangen. Maar het tegendeel is waar. (…) hoe beperkter je zicht, hoe groter de wil om alles te zien'. Eén keer kan aardig zijn, maar na dit soort wijsheden in vele varianten te hebben gelezen gaat bij mij de lol er een beetje af.

Een merkwaardig detail in het boek is dat beide neefjes volgens Japin seks met elkaar hadden (p. 37-38). Moeten de latere verwikkelingen, waaronder de zelfmoord van neef Kwame en de vreemde verhouding tussen Kwasi en Cornelis worden gezien in het licht van gefnuikte homoseksuele driften? Het komt verder niet echt terug in het verhaal.

De Oude Delft

Het mooiste deel van het boek is naar mijn smaak het deel dat de Delftse tijd van Kwasi behandelt. Vooral de plotselinge uitsluiting van Kwasi door zijn kostschoolvriendjes en de pesterijen die hij moest ondergaan zijn indringend beschreven. Het verbaast me dan ook niet dat Japin later in interviews heeft aangegeven dat dit deel sterk autobiografisch is. Overigens hebben juist deze pesterijen niet per se met discriminatie te maken. Kwasi moest weliswaar een vernederende 'toverformule' opzeggen , maar in plaats van zwart had daar anders gestaan 'roodharige', 'dikke' of wat dan ook. Waarom het ene kind wordt gepest en het andere niet is meestal een mysterie.

Ik ga de balans opmaken. Enerzijds ligt er een politiek correcte zweem over De zwarte met het witte hart heen, het is soms langdradig en het bevat veel tegeltjeswijsheden. Anderzijds steek je als lezer iets op over de overzeese activiteiten van de Nederlanders in de 19e eeuw en valt er toch ook te genieten van veel fraai geschreven passages. Ik kocht het boek op Schiphol, om het te lezen op het strand van Costa da Caparica. Lezend zat ik aan de monding van de Taag, waar vroeger de Portugezen uitvoeren op weg naar fort Elmina, totdat ze door de Hollanders werden weggejaagd. Dit was geen verspilde tijd. Mijn voorlopige slotsom anno 2007: best een aardig boek.

Jeroen Louis, 31 januari 2007

button-boeken  button-reageer  button-surf

Voetnoot:

[1] Dat begon namelijk pas in 2000 met het verschijnen van het artikel 'Het multiculturele drama' van Paul Scheffer en raakte in een stroomversnelling met de opkomst van Pim Fortuyn. terug

Terug naar de startpagina