Tweede druk, 2009, 546 blz, Uitgeverij Querido, Amsterdam
Boeken: Zoete mond-Thomas Rosenboom
Van alle hedendaagse Nederlandse romanschrijvers is Thomas Rosenboom een van mijn favorieten. Gewassen vlees en Publieke werken zijn prachtboeken, maar het meest beviel mij nog zijn duistere debuut Vriend van verdienste uit 1985. Met ingehouden plezier begon ik dus aan zijn langverwachte nieuwe roman.
De romanfiguren van Rosenboom zijn vaak heel introverte, wat wereldvreemde types. Misschien lijken ze wel een beetje op de schrijver zelf. Het zijn buitenstaanders, levend in hun eigen binnenwereld, die ondanks een diep verlangen niet in staat zijn tot echt contact met andere mensen. Ze zouden niet weten hoe ze het moeten aanpakken. Een vluchtige ontmoeting met een medemens maakt op hen een diepe indruk. Neem de hoofdpersoon uit Zoete mond: als hij toevallig eens met iemand staat te praten, en alles gaat goed, dan denkt hij bij zichzelf: kijk eens hoe we hier staan te praten, bijna als vrienden onder elkaar. Bijna als normale mensen. Bijna doe ik gewoon mee in de gewone wereld, heb ik sociaal contact, net als die anderen die dat allemaal zo vanzelfsprekend en gemakkelijk afgaat.
Zo’n gelukzalig momentje komt bij Rosenbooms personages maar zelden voor. Het gaat meestal juist een heel andere kant op. Ze interpreteren elk gebaar dan als een afwijzing of als een doordachte zet van de ander om hen dwars te zitten. Stilletjes in hun hoekje beleven ze zo’n moment telkens opnieuw, en pijnigen ze zichzelf met het beeld van hun vermeende vernedering. Mokkend koesteren ze hun verongelijktheid. Grote plannen hebben ze. Maar ze weten het niet over te brengen.
Uitstel leidt tot afstel. De lezer ziet het al aankomen. Zo zijn de werken van Thomas Rosenboom in feite klassieke tragedies. Vanaf het begin gaan de karakters hun ondergang tegemoet. Ze lijden daaraan, maar zijn niet in staat over zichzelf heen te stappen. Hun lot is onafwendbaar.
Laten we eerlijk zijn, sociaal verkeer is ook niet altijd eenvoudig. Dat is het aantrekkelijke van de romans van Rosenboom. Ik denk dat het de Rebert van Buyten in mij is die heimelijk geniet van de beschrijvingen van de losers van Rosenboom. Enerzijds begrijp ik ze, en kan ik meevoelen met hun pijn, maar aan de andere kant voel ik me heerlijk superieur, want zó erg, nee zo erg is het bij mij niet.
Toch moet ik zeggen dat ik me al tamelijk snel begon te vervelen bij het lezen van Zoete mond. Het eerste deel, met de studietijd van Rebert van Buyten, wanneer hij in Arnhem op een kamertje woont, vond ik nog heerlijk Rosenboomiaans. Maar na een aantal bladzijden sloeg de verveling toe. Op het moment dat Rebert naar het dorpje aan de Rijn verhuist, en we kennismaken met Jan de Loper, begon ik me af te vragen wat ik hier nu allemaal mee moest.
Een suffig plaatsje, waar niets gebeurt, in het begin van de jaren zestig. Rebert gaat op vakantie naar een Schots eiland, waar hij niets meemaakt. Het boek wordt dan ronduit saai en langdradig. De hoofdpersoon wordt ouder, maar blijft het zielige mannetje dat hij vanaf zijn studententijd al was. Rebert heeft een baanbrekende uitvinding in zijn hoofd, maar is te labbekakkerig om er werk van te maken. Op een onbewaakt moment vertelt hij over zijn uitvinding aan een vrouw over wie hij heimelijk vunzige fantasietjes heeft (maar ook hier niets buitenissigs, hij denkt aan de kleur van haar onderbroek en daar blijft het bij). Aha! Dacht ik. Zij gaat het ondanks de belofte van geheimhouding doorvertellen en de gelikte Marc gaat ermee aan de haal. Verraad! Maar niks van dat alles. De vrouw verhuist. En dat is het dan.
Het verhaal blijft voortkabbelen in een monotone, gezapige sfeer. Hele stukken kun je zo overslaan. De plechtstatige stijl van Rosenboom begint te irriteren. Is dit echt een recent boek? Of heeft iemand me een streekroman van Mien van ’t Sant in de maag gesplitst? Opeens zitten er wonderlijke hoofdstukjes in over de geschiedenis van het hardlopen en witte dieren, waarbij het lijkt alsof je de Winkler Prins zit te lezen. Wat is dit? Gaat het om een vondst of experiment? Ik heb werkelijk geen idee wat de schrijver hiermee wilde. Het enige dat ik weet, is dat het niet werkt. Het lijkt er eerder op dat hij het zonde vond om deze wijsheid, bij de voorbereidingen opgedaan, niet te gebruiken. Dan maar een extra hoofdstukje er tegenaan gooien. Schrijven is voor hem kennelijk niet gelijk aan schrappen.
De zouteloze meligheid die regelmatig opduikt komt geforceerd over. Een jongen uit het dorp heet bijvoorbeeld Donald Duk. Wat moeten we ermee? Zit er een diepere betekenis achter? Kan het me iets schelen? Het boek is op geen enkele manier aangrijpend. Waar er in eerdere boeken van Rosenboom nog sprake was van figuren die groots en meeslepend wilden leven, maar uiteraard wel grandioos mislukten, gaat het nu over grauwe, zinloze middelmaat. Bij Publieke werken wil je, hoewel je eigenlijk wel weet dat het op een ramp zal uitdraaien, toch weten hoe het afloopt, hopend op een wonder. Bij Zoete mond weet de schrijver die nieuwsgierigheid helaas niet op te wekken.
Alleen op wilskracht wist ik me door het boek heen te worstelen. Zo werd Zoete mond voor mij een grote teleurstelling. Het is een typisch Nederlands boek: huisvrouwen met een plastic regenkapje, zompige dijken, kleinzielige gedachten, grappen waar niemand om lacht. Moedwil en misverstand, maar zonder de brille of het venijn van een Hermans. Voor Hollandse kneuterigheid uit de jaren zestig hebben we Maarten ’t Hart al en tientallen andere schrijvers. De vochtige grafkelders van de Nederlandse literatuurgeschiedenis staan vol met stoffige boeken over dit soort mistroostige treurnis. Zoete mond voegt daar niets aan toe. Het had beter ongeschreven kunnen blijven.
Jeroen Louis, 8 maart 2010


