Tim Krabbé, novelle, eerste druk 2009, 90 blz, Uitgeverij Prometheus
Boeken: Een tafel vol vlinders- Tim Krabbé
Geringschatting is het schele kindje van hoogmoed en vooroordeel. Bij Tim Krabbé dacht ik aan een toegankelijke televisiepersoonlijkheid, aan fietsen, Liz Snoyink, Martijn, Jeroen en andere BN'ers. Krabbé kon natuurlijk nooit een groot schrijver zijn. Laatdunkend sloeg ik het boekje open.
Maar ik had het mis. Beschaamd erken ik mijn domme oppervlakkigheid. Een tafel vol vlinders is een ijzingwekkend mooi boek over liefde en dood. Schrijven is schrappen, kill your darlings, de kunst van het weglaten, less is more. Het zijn bekende kreten, maar slechts weinig schrijvers brengen ze in de praktijk. Bordewijk en Nescio hebben in Nederland geen navolging gekregen. Hier geldt: the fatter, the better. Op de middelbare school krijg je de minste studiepunten voor een uittreksel van een dun boek. Een lijvige roman geeft aanzien aan de schrijver en de criticus, die dan meer heeft uit te leggen en daarmee in de recensie zijn geleerdheid kan demonstreren. Bovendien leveren dikke boeken meer op voor de uitgever. Zo werd Het bureau een hype.
Een tafel vol vlinders is geschreven als boekenweekgeschenk. Tim Krabbé moest zich dus beperken tot 90 bladzijden. Er staat geen letter te veel of te weinig in het boek. Bij het lezen moest ik denken aan Datumloze dagen van Jeroen Brouwers, over een vader die zich weinig interesseert voor zijn kind. Hoe anders is dat in het verhaal van Krabbé: 'En Bram was zijn zoon. Juist omdat hij het niet was – van je eigen zoon zou je verplicht zijn te houden, waardoor je altijd moest twijfelen of je het wel echt deed; van Bram hield hij omdat het Bram was.'
Maar is dat wel zo? Houdt (stief)vader Fred van Bram omdat hij Bram is, of houdt hij van de Bram die hij in gedachten van hem maakt? Fred is een gemankeerd schrijver. Bram moet de man worden die hij zelf had willen zijn.
Er school iets glorieus, iet groots in dat jongetje. Soms tilde hij hem op en zei: 'Bram, jij bent geen confectie. Je kent het woord nog niet, maar je zult het toch onthouden. Je steekt uit boven de gewoonheid om je heen.'
Als Bram groter wordt, heeft hij niet meer dat schattige gezichtje van een verbaasd sneeuwuiltje. De stukjes die hij schrijft worden minder bruikbaar. Groter worden doet pijn, zowel voor de vader als de zoon. Fred moet Bram loslaten. Waar is Brams talent gebleven? Op zijn negentiende wil de jongen naar Nieuw-Zeeland. 'Hij zegt het recht in mijn gezicht, dacht Fred. Die reizen met jou, dat was confectie. Ik ga echt reizen.' Maar even later heeft hij medelijden met zijn zoon. 'Ik heb hem gebruikt om zelf geen confectie te zijn.'
Brams kinderdromen blijken illusies te zijn geweest. De reis is niet het begin van een woest levensavontuur. Met hangende pootjes komt hij terug, zichzelf wijsmakend dat het slechts een tussenstop is. Hij wordt verliefd, maar al na een paar weken valt hem op dat zijn vriendinnetje een beetje plat praat en stijlfouten maakt. En is haar liefde wel oprecht, of is hij slechts een excuus om van haar eerdere vriend af te komen? Hij stelt haar maar niet voor aan Fred. Want die zal haar wel een confectiemeisje vinden.
De rest van mijn leven is een tafel vol vlinders. Iedere seconde vliegt er één weg. Als de tafel leeg is ben ik dood.
De adviezen van Fred, van de tweede man van zijn moeder en van zijn grootouders zijn goedbedoeld, maar geven Bram juist een zetje in de richting van de afgrond. 'Wie laf is moet dapper zijn.' Van de eerste tot de laatste bladzijde is de dood aanwezig. Toch is het geen loodzwaar boek geworden. Naast de dood is er de liefde 'tussen een vader en een zoon, en de liefde tussen die zoon en een meisje.' Tim Krabbé is een liefhebber van W.F. Hermans. Dat blijkt gelukkig uit deze novelle. Een Tafel vol vlinders in vijf woorden: van wonderkind tot total loss.
Jeroen Louis, 23 maart 2009


